ImpliZiet
praktijk voor integrale zorg

Heelheid en de Impliciete orde

David Bohm, een beroemde fysicus, ontdekte bij zijn onderzoek aan plasma (een gas dat een hoge dichtheid bevat aan elektronen en positieve ionen) dat wanneer elektronen zich eenmaal in een plasma bevonden, deze zich niet langer als ‘individuen’ gedroegen. De elektronen vertoonden een gedrag alsof ze deel uitmaakten van een groter en onderling verbonden geheel. Hoewel hun individuele bewegingen willekeurig waren, vertoonden grote hoeveelheden elektronen het vermogen resultaten te produceren die verrassend goed ‘georganiseerd’ waren. Het plasma regenereerde zichzelf constant, zoals een amoebe dat doet, en sloot alle onzuiverheden op in een wand, zoals een biologisch organisme een vreemde substantie opsluit in een cyste.

In zijn zoektochten ondervond Bohm veel weerstand omdat hij in zijn denken veel en veel verder durfde te gaan dan velen van zijn tijdgenoten. Hij nam bijvoorbeeld aan dat de natuur oneindig zou kunnen zijn en niet, zoals velen dachten, dat de quantumfysica nu wel zo’n beetje ‘alles’ gezien had. Bohm bleef onwankelbaar in zijn overtuiging dat de werkelijkheid meer behelsde dan dat zijn tijdgenoten dachten. Als een van de eerste stelde hij (in de wetenschap!) het begrip causaliteit (oorzaak-gevolg) aan de orde. Hij vond de manier waarop de wetenschap de causaliteit benaderde veel te beperkt. Van de meeste gevolgen werd aangenomen dat ze slecht één oorzaak (of hooguit een beperkt aantal oorzaken) hadden. Bohm stelde echter dat een gevolg een oneindige hoeveelheid oorzaken kon hebben. Omdat geen enkele op zichzelf staande oorzaak-en-gevolg-verhouding volgens hem ooit los kon staan van het universum als geheel.

Bohm nam voor zijn onderzoekingen aan dat er iets als een diepere werkelijkheid bestond, een soort subquantumniveau, dat nog wachtte op ontdekking door de wetenschap. Voortbouwend op deze premisse (theoretische aanname) ontdekte hij dat hij alleen al door het bestaan van een nieuw soort veld te veronderstellen op dit subquantumniveau in staat was zijn bevindingen te verklaren.

Hij noemde zijn veronderstelde nieuwe veld het quantumpotentiaal en theoretiseerde dat het evenals de zwaartekracht de hele ruimte vervulde. Maar anders dan de zwaartekrachtvelden, magnetische velden enz verminderde de invloed ervan niet door afstand. De invloed van dat quantumpotentiaal was subtiel, maar het was overal even krachtig.

Bij een zorgvuldige beschouwing van de betekenis van het quantumpotentiaal ontdekte hij dat het een aantal kenmerken had die een nog radicalere verwijdering van het orthodoxe denken inhielden.
Een ervan was het belang van de heelheid. De klassieke wetenschap had de toestand van een systeem in zijn geheel altijd voornamelijk beschouwd als resultaat van de interactie van de delen ervan. Maar het quantumpotentiaal haalde deze visie onderuit en toonde aan dat het gedrag van de delen in feite werd georganiseerd door het geheel!
Dit bracht niet alleen de (eerdere) bewering van Bohr (een andere fysicus) dat subatomaire deeltjes geen onafhankelijke dingen zijn, maar deel uitmaken van een ondeelbaar systeem, een stap verder, maar voerde ook tot de vooronderstelling dat heelheid in sommige opzichten de meer elementaire realiteit was. Nog eens benadrukte Bohm dat een dergelijke quantumheelheid van activiteit dichter bij de georganiseerde eenheid in het functioneren van de delen van een levend wezen staat dan bij het soort eenheid dat wordt verkregen door de delen van een machine aan een te koppelen.

Bohm’s interpretatie van de quantumfysica liet zien dat er op subquantumniveau, het niveau waarop het quantumpotentiaal werkte, geen plaatsbepaling meer bestond. Alle punten in de ruimte werden gelijk aan alle andere punten in de ruimte en het was zinloos om iets nog te zien als separaat van iets anders. Fysici noemen deze eigenschap ‘non-localiteit’.

Steeds meer werd het beeld van de werkelijkheid dat Bohm ontwikkelde er een waarin niet de subatomaire deeltjes separaat van elkaar waren en door de ruimte bewogen, maar waarin alle dingen deel uitmaakten van een soort web en ingebed waren in een ruimte die even reëel en rijk aan acties was als de materie die er doorheen bewoog.

De klassieke wetenschap zag in die tijd (midden jaren 60 van de 20ste eeuw) in grote trekken twee categorieën van 'ordening' (alle levende dingen hebben namelijk een ordening):
1) een die over orde beschikt in de samenstelling van de delen en
2) een waarvan de delen wanordelijk of willekeurig zijn samengesteld.

Bohm besefte ineens in een onderzoek naar die ordeningen dat er als het ware verschillende niveaus van orde waren. Sommige waren veel beter geordend dan andere en dit hield in dat er waarschijnlijk geen einde was aan de hiërarchieën van orde die in het universum bestonden.

Tijdens een tv-programma van de BBC zag Bohm iets gebeuren dat hem hielp zijn ideeën verder te ontwikkelen.
In het kort gezegd: er werd een druppel inkt in een pot vol glycerine gedaan. In die pot werd een cilinder rondgedraaid, daardoor spreidde de druppel inkt zich uit en verdween vervolgens zelfs helemaal. Maar toen de cilinder daarna in de tegengestelde richting werd gedraaid, kwam de druppel inkt weer als één lijn, als één geheel, terug.

Bohm gebruikte dit verschijnsel als voorbeeld hoe een ordening verborgen kan zijn, met andere woorden: impliciet is en vervolgens weer manifest (zichtbaar) gemaakt kan worden en dan expliciet is.

Zijn uiteindelijke conclusie was dat er in de kosmos sprake is van een diepere, impliciete orde van onverbroken heelheid. De onderlinge quantum verbondenheid.

Volgens Bohm: ‘ moeten we leren alles te zien als een deel van een onverdeelde heelheid’.

Deze achtergrond informatie is gebaseerd op: Het holografisch universum – Michael Talbot (1991)

 
contact